Burgerschap

“Heb niet alleen uw eigen belangen voor ogen,
maar ook die van de ander.”
(Filippenzen 2:4, NBV 2004)

Eerst maar even een waarschuwing vooraf: dit voorwoord wordt een tikkeltje moralistisch. Ik houd daar niet van. En ik houd er al helemaal niet van om dat te doen op basis van de woorden van Paulus, die ons toch vooral een leven uit genade voorhoudt. Maar het moet er even uit. Het zijn ook bijzondere tijden. Je hoort de laatste tijd nogal eens opmerkingen als: “Ieder moet zelf weten welke risico’s hij neemt.” Of: “Ik ben niet zo bangelijk.” Of erger nog: “Ik hoef me niet aan de regels te houden, want ik ben goed gezond.”
Die opmerkingen worden gemaakt in verband met de maatregelen tegen de coronapandemie. En op zich is er niets mis mee: ze wijzen op eigen keus, goede moed en een ongedwongen levenswandel. Normaal gesproken zou ik er ja en amen op zeggen. Maar nu ligt dat anders.
We worden met genoemde uitspraken ongewild op het verkeerde spoor gezet. Op de achtergrond zie je mensen door de straten lopen die ieder voor zich bezorgd zijn over hun eigen gezondheid. Door middel van mondkapjes, handgel en twee armlengtes afstand proberen ze angstvallig het virus buiten hun lijf te houden. Sommigen zijn extra voorzichtig, omdat zij of hun geliefden extra risico lopen door leeftijd of een aandoening als diabetes. Anderen zijn juist wat losser omdat ze nog jong zijn en het virus wel kunnen weerstaan. En weer anderen zijn gewoon wat driester en lopen graag een risico voor de goede zaak. Met andere woorden: wie afstand houdt is bang, wie de regels aan z’n laars lapt toont moed. En nu voelt u al aan dat er iets niet klopt. Maar wat klopt er niet?
De taal van de angst heeft vooral betrekking op het welzijn van mij als individu en van de kleine kring van hen die mij dierbaar zijn. De maatregelen die ons zijn opgelegd hebben echter betrekking op een veel groter geheel. Jazeker: het gaat om het beschermen van de meest kwetsbaren, maar juist om hen te beschermen moet elk er voor zorgen niet besmet te raken. Wie besmet is, kan immers ook anderen besmetten. En die besmetten weer anderen.
En uiteindelijk besmet je zo een medemens die tegen het virus niet bestand is. Het gaat dus helemaal niet om het welzijn van mij of mijn kleine kring. Het gaat om de gezondheid van mensen die ik misschien helemaal niet ken, maar voor wie mijn handelen wel grote gevolgen heeft.

De taal die wij bezigen moet dan ook niet wijzen op de risico’s die we al dan niet nemen voor onszelf, maar om de verantwoordelijkheid die we op ons nemen voor het grote geheel. Door het taalveld van de angst te mijden en ons te bewegen in dat van de verantwoordelijkheid houden we elkaar op het goede spoor. Het is een spoor dat ons niet vreemd is. De apostel wijst ons al –vanuit de vreugde van de genade– op de mogelijkheid om ons te focussen op het belang van de ander. Als je het hele hoofdstuk leest doet hij daar zelfs nog een stevige schep bovenop. Deze tijd biedt ons de mogelijkheid ons daarin te bekwamen.
Wie een mondkapje draagt, z’n handen wast of twee armlengtes afstand houdt doet dat dus niet om zichzelf te beschermen. Hij doet het ook niet voor één enkele die hem in de ogen ziet.
Hij doet het voor een naaste ver weg die hij –zonder daar ooit een dankwoord voor te krijgen– in bescherming neemt. Of laten we het nog iets nauwkeuriger zeggen, we weten immers nog zo weinig over wat wel en niet werkt: ons afstand houden is een vorm van gebed. Dat het jou en de ander goed mag gaan!
Noem het een oefening in spiritualiteit. Noem het naastenliefde. Of noem het ouderwets: burgerschap. Houd moed, heb lief!

ds. Riemer Praamsma

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.