Voorwoord juli 2020

Handen wassen!

In mijn kinderjaren las mijn vader bij elke maaltijd ons een stukje uit de bijbel voor. Het was nog net niet zo dat hij in Genesis begon en doorlas tot en met Openbaring, maar in de praktijk scheelde het niet veel. Verhalen uit Genesis, Exodus, de Evangeliën en Handelingen kwamen wel vaker aan bod dan wetten uit Leviticus, maar we werden wel met alle genres vertrouwd gemaakt. Uit Prediker en de Psalmen las hij vaak. En ieder jaar op moederdag (tot ergernis van mijn moeder) het slot van het boek Spreuken. Als classicus had hij weinig moeite met bloederige details als bij het einde van Johannes de Doper, maar dan werd hij wel snel door ons tot de orde geroepen: “Overslaan Pappa!”

Wat ons als kinderen veel plezier gaf was het gedeelte hierboven uit Matteüs 15 en de parallel daarvan in Marcus 7. Daar kreeg mijn moeder (die ons keurig en schoon probeerde op te voeden) er van langs: al dat wassen en poetsen was nergens voor nodig en al zeker het verplichte handen wassen voor het eten niet! Als kinderen zagen wij daarin ons gelijk, en later toen we wat groter werden (met een dikke knipoog) nog steeds. En telkens wanneer ik het verhaal weer hoor of lees komt die herinnering bij mij boven.

Alleen in deze laatste maanden lees ik het anders. Zojuist heb ik nog mijn handen grondig gedesinfecteerd. Ik ging op bezoek, maar aarzelde: mag ik dit wel doen? Nu ja, dan eerst maar goed poetsen en smeren! En zijn Jezus en zijn leerlingen nu corona-ontkenners die de regels van het RIVM aan hun laars lappen? Dat zal het zeker niet zijn, maar deze nieuwe context werpt wel een zinvol licht op de discussie tussen Jezus en de schriftgeleerden. Vanuit de huidige crisis kun je je iets voorstellen bij de fixatie op reinigingsrituelen. Ze waren van levensbelang! Geen wonder dat ze de voorschriften van Mozes hadden uitgebreid met een haag van regels daaromheen. En geen wonder dat die rituelen ook ver na de uitbraak van de nare ziekte in ere zijn gehouden.

“Waarom overtreden uw leerlingen
de tradities van onze voorouders?
Ze wassen hun handen niet voor ze hun brood eten.”

“Niet wat de mond ingaat maakt een mens onrein,
maar wat de mond uitkomt,
dat maakt een mens onrein.”

(Matteüs 15:2 en 11)

Maar wat is voor ons nu de betekenis van dit verhaal? Ik denk dat dit niet gaat om de wijze raad van moeders en Van Dissels. De Heer had naar beiden ongetwijfeld aandachtig geluisterd en hun wijsheid ter harte genomen. Punt is dat deze zaken van praktische aard zijn. We moeten ze gewoon doen. We mogen (en moeten!) waken over het heil van ons lichaam. 

Maar: onze ziel vraagt nog iets meer. Die is achter een mondkapje nog niet veilig. Die wordt niet zo snel besmet door een virus van buiten. Die moet meer oppassen met wat ze naar buiten laat gaan. Dat maakt een mens onrein. De zeldzame momenten dat ik vies ben van mezelf, zijn die waarin ik een ander (onbedoeld) heb gekwetst of buitengesloten. En dan heb ik meer nodig dan een desinfecterende gel.

Hopelijk zijn we over een jaar of wat dat handen wassen weer vergeten. Nu moeten we daar stipt in zijn. Als we ondertussen ook maar blijven letten op goede woorden, een luisterend oor en echte aandacht voor elkaar. Dan blijft ook die ziel gezond.

Houd moed, heb lief!
ds. Riemer Praamsma

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.